Alles is Onmogelijk – Working Title Situation

– Ik wil niet ongemakkelijk worden omdat de wereld wordt ontmaskerd, maar omdat ik met mijn eigen ongemak iets aan moet –

(De Consequenties, Niña Weijers)

Het is een grote misvatting te denken dat kunst alles moet ontmaskeren. Dat ze een duidelijk inzicht moet geven, dat ze de complexe realiteit transparanter moet maken. Iemand die dat wel eist is oneerlijk. Ik zou graag een pleidooi houden voor de maskerade in de kunst. Voor kunst die even gelaagd, even massief is als de realiteit zelf. Voor kunst die iets toont opdat je er niet kan komen. Voor kunst die zichzelf onmogelijk maakt.

Genoeg raadsels gebalkt. Laten we een concreet startpunt nemen, een gedicht van Peter Verhelst (uit de bundel ‘Wij, totale vlam’) bijvoorbeeld:

Weet je nog toen we op de toppen van onze tenen op de rand

Van een berg leek het wel, die keer dat we jubelend, een seconde,

Niet langer, enkele millimeter over de rand leken we, nooit eerder

Dan tijdens die onsterfelijke, die ene ongelofelijke trilling

Die er achteraf gezien misschien niet eens, die ene vlam

Die uit ons opschoot, zeiden we, of die we hadden kunnen zijn, dachten we,

Buiten adem, die seconde die eeuwig leek, dat dansen, dat juichen,

En we de seconde erna al, hoe is het mogelijk dachten we, en dat we ons nooit

Eerder zo overvol, hoe we wisten dat we vanaf nu elke seconde verder, weet je nog

Hoe we, zeiden we soms, dat we wisten dat we nooit meer, dat we er altijd

Aan zouden denken hoe de lont vanaf nu verder, almaar verder, onherroepelijk

Elke millimeter een millimeter dichter bij die andere, die totale vlam

Die ons vanaf nu in een totaal andere vorm begon te likken.

Peter Verhelst maakt van taal in dit gedicht een onmogelijk medium om de herinnering te vatten. Voortdurend wordt de taal onderbroken door het gebruik van interpunctie. De herinnering is op die manier onbereikbaar. Taal is hier een barrière, en hoewel je een idee krijgt van het extatische geluksgevoel aan de afgrond van een berg, ontsnapt er telkens iets aan dat beeld, valt er ook iets in de onmetelijk diepe afgrond van onze hersens. Verhelst beseft dat elke poging tot het oproepen van een herinnering an sich onmogelijk is. Dus ook niet in de taal. Ergens toont hij een herinnering maar tegelijk wordt ze ook weer bedekt. En laat dat nu net een eigenschap zijn van de herinnering zelf. Die onmogelijkheid van deze herinnering wordt versterkt door het beeld van de kaars. Een kaars is pas een kaars als er een vlam is, maar die vlam vreet de kaars ook op. Inderdaad, heerlijk.

En niet alleen in de poëzie vind je dergelijke beeldprocessen. De beelden van de Belgische fotograaf Dirk Braeckman werken op een gelijkaardige manier. De scènes die hij fotografeert voelen aan als delicten. Altijd vraag je je af wat er zich op die plek net voor of na het beeld heeft afgespeeld. Braeckman geeft echter geen antwoorden, waardoor zijn beelden iets tijdloos krijgen. Als toeschouwer herken je wel bepaalde zaken. Maar net zo snel verhult Braeckman die aanknopingspunten, vaak letterlijk, in duistere zones binnen het beeld, of door er een nieuwe laag op te leggen. Braeckman laat zijn negatieven soms rondslingeren in zijn atelier waardoor er zich een laag stof als ruis op het oppervlak hecht. Die ruis wordt een onderdeel van het beeld wanneer hij ze ontwikkelt. Zo ontstaat er een heel interessante spanning tussen tijdelijkheid en de tijdloosheid. Maar ook in zijn onderwerpen zit een soort ondoordringbaarheid. Braeckman heeft een aantal foto’s genomen in een bordeel. Op die foto’s staan naakte vrouwen met hun rug naar de toeschouwer gekeerd. Net zoals de toeschouwer geen connectie met haar kan maken (en ook niet met het beeld), zo kunnen de mannen op zoek naar een verzetje de prostituee ook niet echt ontmoeten. De huid tussen ontmoeten en aanraken wordt zo afgetast. Braeckman deconstrueert op die manier ‘the decisive moment’ zoals we dat kennen van in de wereldberoemde fotografie van Henri Cartier Bresson. Bresson gaf inzicht in de complexe werkelijkheid. Braeckman’s foto’s lijken haast fysiek in het leven te staan, als een ondoordringbare massa. Ze zijn een beetje zoals de werkelijkheid zelf. Een massa die door onze vingers glipt. Massief en ondoordringbaar, als een maskerade.

2513_15-dirk-braeckman-zeno-x-gallery-2712170382014-Dirk Braeckman 27.1/21.7/038/2014 , 2014
ultrachrome inkjet print on matte paper, mounted on aluminium
120 x 180 cm
edition of 3
© Dirk Braeckman – Photo: Peter Cox
Courtesy Zeno X Gallery, Antwerp

Je zou kunnen stellen dat Braeckman en Verhelst – en nu haal ik Foucault even van stal – tegelijk de tekening in het zand en de aanspoelende zee zijn. Poëzie en fotografie behoren soms tot hetzelfde type beeld. Het is daarom vandaag niet interessant om vanuit een bepaald medium na te denken over kunst, maar vanuit het type beeld waartoe dat medium behoort.
Op deze editie van Working Title Situation barst het van de projecten die het onmogelijke tastbaar maken. Neem nu de fysieke geluidschoreografie van Benjamin Vandewalle, die talloze sonore landschappen oproept voor een geblinddoekt publiek binnen de afgelijnde contouren van een dansstudio. Denk aan de performance installatie Still Animals van Tuur Marinus, waar de chronofotografie van Muybridge tot leven lijkt te komen in een vertraagde fysica die onhaalbaar lijkt binnen de wetten van onze zwaartekracht. Of bekijk de performance van Emi Kodama en Hans Demeulenaere, waarin een reeks bescheiden kubussen een collectieve denkmal worden waarbinnen talloze intieme herinneringen aan onze voorgaande woningen en leefruimtes worden opgeroepen. Stuk voor stuk bewerkstelligen deze werken een gebaar dat gelijkaardig is aan Lucio Fontana’s snede in een tweedimensionaal doek: ze creëren ruimte buiten zichzelf. Ze roepen een werkelijkheid op die de eigen drager overstijgt, maar kunnen er tegelijk ook zelf geen invulling aan geven. In die zin is de tekening van René Margritte in The Reflecting Pool een mooie samenvattende voorstelling van die dubbelzinnige toestand waar ons denkvermogen zich in bevindt. Hij stelt ons hoofd voor als een buitenproportioneel grote cirkel. De cirkel is leeg, heeft dezelfde kleur als datgene wat buiten de cirkel ligt, alsof de mogelijkheden van het denken ontelbaar veel groter zijn dan ons hoofd doet vermoeden. Maar tegelijk ligt er buiten ons denken een nog veel grotere onbereikbare, gelijkaardige ruimte waar ons hoofd door zichzelf van wordt afgesloten. Mogelijkheid en onmogelijkheid liggen zo ontzettend dicht bij elkaar. Deze werken ontmaskeren niets, maar ze lossen niets op. Essentieel is dat ze ons in contact brengen met iets dat we niet direct kunnen aanraken. Alles is onmogelijk.

images

En toch tonen al die onmogelijkheden eigenlijk de grote mogelijkheid ergens te geraken waar je niet kan komen. Onlangs zat ik op youtube te surfen en kwam ik uit bij een filmpje van de filosoof Slavoj Žižek. Hij heeft het over Utopia. Het komt er op neer dat we vandaag niet meer echt nadenken over de mogelijkheid van een ander systeem dan het kapitalisme. We geloven eerder dat de aarde zal vergaan dan in de mogelijkheid van een alternatief. Het denkbeeld van de Apocalyps is dan ook heel populair in onze cultuur: rampspoed, virussen, padden die uit de lucht vallen, spooksteden waarin de mens op de vlucht is voor robots. De thematiek is rechtevenredig aan ons stijgende bewustzijn van onze desastreuze omgang met de aarde. Het lijkt, kortom, allemaal een beetje een verloren zaak. Žižek stelt dat er twee valse voorstellingen van Utopia’s bestaan. Vooreerst de voorstelling van een samenleving die in ieder geval onbereikbaar is, daarmee verwijzend naar Thomas More. De tweede voorstelling is die van het kapitalisme die een eindeloze (en dus eeuwig onbereikbare) kettingreactie aan verlangens creëert doorheen een mensenleven. Het Utopia waar hij in gelooft vertrekt vanuit de noodzaak te moeten handelen uit overlevingsdrang, vanuit een onmogelijkheid die werkelijkheid wordt door pure noodzaak. Pas dan overstijgt de creativiteit de vrijblijvende verbeelding en concretiseert ze tot een nieuwe piste die via inventiviteit iets in het leven roept dat voorheen onmogelijk leek. Het is deze utopische daadkracht die het videowerk ‘When Faith Moves a Moutain’ van Francys Alÿs ook oproept. Er gaat een verbeelding uit van de mensen die worden opgetrommeld met hun schopje om een enorme berg zand te verzetten. Dat is Utopia, de mogelijkheid van het onmogelijke.

Als ik voor dat werk van Fontana sta wil ik door die snee kruipen en als ik voor een werk van Braeckman sta, wil ik het tijdloze aanraken. Het zijn gesloten deuren in de werkelijkheid die niet met een sleutel kunnen worden geopend. Maar net het tastbaar maken van die onmogelijkheid in combinatie met de drive om ze te overstijgen zet een mogelijke omwenteling in gang. Kunst die zich bezighoudt met het creëren van een onmogelijke ruimte, een onmogelijke plaats, een onmogelijke handeling, die kunst is volgens mij per definitie politiek. Van die onmogelijkheid word ik ongemakkelijk, en het is die ongemakkelijkheid die ik koester. Omdat ze aanstuurt, niet in de richting van een platgetreden pad, maar van ontoegankelijk terrein dat slechts ontgonnen kan worden door je eigen inventiviteit.

De tentoonstelling ‘Working Title Situation’ zal plaatsvinden op 11 en 12 december in de Kaaistudio’s te Brussel.