Arbeid is een slaapliedje waaruit ik wil ontwaken. Frank Keizer / Onder Normale Omstandigheden

Begin dit jaar verscheen de debuutbundel van Frank Keizer bij Uitgeverij Polis. Eerder werden al enkele chapbooks van hem uitgegeven bij Uitgeverij Stanza. De bundel kreeg de cynische titel ‘Onder Normale omstandigheden’. Samen met o.a. Maarten Van der Graaff is Frank Keizer oprichter van het literaire online platform ‘Samplekanon’. Van der Graaff trok met zijn bundel ‘Dood Werk’ resoluut in de wereld. En ook Keizer stuurt een ‘ik’ letterlijk de wereld in:

de relatie tussen mijzelf en het politieke
is ingewikkeld maar ze bestaat en daarom is het beter
dat ik haar niet negeer

Onder normale omstandigheden

Ook deze bundel wordt voorafgegaan door twee quotes. Net zoals van der Graaff kiest ook Keizer voor een quote van Chris Kraus: Maybe 1st Person writing’s just as fragmentary as more a-personal collage, it’s just more serious: bringing chance & fragmentation closer, bringing it down to where you really are.
De bundel van Keizer is inderdaad geschreven vanuit het ‘ik-perspectief’. De vorm is essayistisch, Keizer vlucht voor stijl. Willem Thies merkt in zijn recensie (Poëziekrant 2015, 6) over deze bundel terecht op dat juist door de essayistische vorm de grens tussen redeneren en reflecteren, tussen poëzie en spreektaal vervaagt. Op die manier ontstaat er een soort eenheid tussen het individu, zijn poëzie en de realiteit. De ‘ik-vorm’ is hier dus echt een bewuste constructie van de dichter om het hyperpersoonlijke ook hyperrelevant te maken voor de lezer. Zelfreflectie en samenleving moet je hier zien als een correlatieve dualiteit. Als een tweevoudige eenheid. Voortdurend is er een soort vervlechting tussen het ik en de samenleving, tussen een kantoor en zijn omgeving, tussen zijn arbeid en de kapitalistische samenleving. Maar voortdurend botst de ik op muren. Zoals iedereen is ook hij een in-woner. Keizer gaat op zoek naar gemeenschap in onze postindustriële en postmoderne verbrokkelde samenleving. Naar een nieuw lichaam:

misschien is vrijblijvende seks wel onmogelijk
op dit moment
en moet er worden gekozen
voor een resolute gemeenschap
moeten we elkaar infecteren
met een liefdesvirus
de grote infectie
elkaar bezitten in alle lichaamsopeningen
zoals Jeroen en Marieke

IK BEN EEN LICHAAM / IN DE ECONOMIE VAN TIJD / DAT EEN OBSTAKEL MOET WORDEN

kom op Asscher
laat me je grote maatschappij zien
dan laat ik mijzelf los
in je globale stad
met mijn vrienden die mijn vreemden zijn

Het huidige lichaam geeft duidelijk geen intimiteit. Ik moest spontaan denken aan Peter Sloterdijks ‘Sferen’. Heel kort door de bocht, gaat Sloterdijk op zoek naar een plaats waar de mens zich kan weren tegen het idee van ‘de gescheurde hemelbakens’. De centrale vraag bij Sloterdijk luidt dan ook: waar bevindt de mens zich, sinds hij beseft dat hij niet het doel is van de wereld, maar een onderdeel van een oneindig grote ruimte? In zijn Inleiding schrijft Sloterdijk dit: De op geavanceerde techniek gebaseerde beschaving, de welvaartsstaat, de wereldmarkt, de sfeer van de media: al deze grootschalige projecten streven in tijden van schaalloosheid naar nabootsing van de onmogelijk geworden imaginaire sferenveiligheid. Netwerken en verzekeringspolissen komen tegenwoordig in de plaats van hemelschalen. Telecommunicatie moet de functie van het allesomvattende nabootsen. […] Maar wie meedoet aan het optrekken van de wereldomvattende broeikas van de civilisatie raakt verstrikt in thermopolitieke paradoxen: wil dat bouwproject slagen – en deze ruimtefantasie ligt ten grondslag aan de globalisering -, moeten reusachtige populaties, zowel in het centrum als aan de periferie, uit de oude behuizingen van de behaaglijke regionale illusie worden geëvacueerd en blootgesteld aan de vrieskou van de vrijheid. […] Om plaats te maken voor de artificiële surrogaatsfeer worden in alle oude landen de restanten van het geloof in een binnenwereld en van de fictie van de geborgenheid opgeblazen, uit naam van een rigoureuze marktfilosofie, die een beter leven belooft, maar vooralsnog de immuniteitsstandaard van het proletariaat en van de perifere volkeren dramatisch doet kelderen.
Keizer, en bijgevolg deze gedichten, leven in de vrieskou van de vrijheid. Het is dan ook logisch dat Keizer op zoek gaat naar een kleinschaligere gemeenschap, in de openbare ruimte. Een samenleven dat stoelt op inhoudelijk contact, op gesprekken en dus niet op iets zoals ‘de massa’ Hij gaat terug op zoek naar een midden van de wereld (die het geïsoleerde midden van de wereld was):

dus maak ik mezelf openbaar
zodat we erover kunnen praten
samen
bij van dat ambachtelijk bier
en een kleine gemeenschap vormen
plakkerig schuim
mondgevoel

BLAUWE ARBEID

En natuurlijk heeft Keizer ook voor ‘arbeid’ in onze huidige (neo)liberale samenleving. Dat neoliberalisme is diep doorgedrongen in onze omgeving, maar ook in het ‘ik’. Keizer heeft het over publieke ruimtes waar hij geen toegang toe heeft omdat ze geprivatiseerd zijn, net zoals hijzelf. Zijn eigen droomwerk zet zich hard af tegen het reële werk in de samenleving. Zijn gedroomde lichaam wordt, letterlijk in een adem, de kop ingedrukt door de realiteit:

ik werk aan een wereld
waar verveling en lelijkheid
niet bij kunnen
en dit is mijn droomwerk
ik ben het gedroomde lichaam van de kunst
en de vermaatschappelijking
van de creativiteit
en de economie van de verschraling

Wie werkt in een neoliberale samenleving stapt in de kille cirkel van de globaliserende markt. Arbeid staat vandaag haaks op een lokale gemeenschap. In het gedicht ‘Blauwe Arbeid’ vind ik Keizer het sterkst. De parlando-stijl van het persoonlijke scheurt daar echt mijn binnenkant open. Bijvoorbeeld met deze zinnen:

industrieel rivierwater wat ben je stil
zoals je daar spiegelt
bij de waterkant
als eigenliefde
waar ik als mens iets mee moet
in de zin van verzet
en het nieuwe overwerk
een categorie van leven is
doen waar je niet goed in bent
of specialiseren, iemand leren verstaan
in een andere taal
op een terras
in de nazomer van de haat

De kleur blauw verbindt Keizer met arbeid omdat hij ooit een film zag in een kunstinstelling in Utrecht waarin de nonnen van Ostia altijd blauw droegen omdat het de kleur van de arbeid is. Vandaag is blauw de kleur van de bazen / die zich hebben georganiseerd / in tegenstelling tot wij / en nu heeft arbeid geen kleur meer. In het schitterende gedicht ‘Blauwe Arbeid’ schrijft Keizer dan later ook dit:

arbeid is een slaapliedje
waaruit ik wil ontwaken
maar ik heb me verslapen
terwijl ik zocht naar een kleur
die alles zou doorkruisen

ENGAGEMENT?

Je kunt niet ontkennen dat er iets broeit in poëzieland. Er is een poëzie vandaag waarin de dichter zich naar het ‘ik’ richt om iets essentieel over de samenleving te kunnen zeggen. Dichters zoals o.a. Van der Graaff, Obe Alkema en Frank Keizer vertrekken allemaal vanuit het ‘ik’, een ‘ik’ dat duidelijk in de samenleving staat. Natuurlijk zijn er tussen hun poëtica’s duidelijke verschillen. Voortdurend staat Keizer zijn ‘ik’ in verhouding tot de omgeving. Ergens is dat oprecht, het schrijven over sociale problemen komt altijd voort uit een individu dat zich verhoudt tot de werkelijkheid die hem omringt.
De poëzie lijkt zich te bekommeren om een duidelijk engagement. Er spreekt zo’n verschrikkelijke noodzaak uit. Maar welke juist? Wil Keizer in zijn lokale gemeenschap terug naar een ambachtelijke manier van werken, van arbeid. Waarin mensen een duidelijke rol hebben, een band met een product, zoals de smid, de bakker en de beenhouwer? Hoe ziet Keizer nu juist die lokale gemeenschap, hoe kan ik daar als toeschouwer aan meewerken? Want daar draait engagement toch over, niet?
Echte antwoorden krijgen we niet. Het is hoog tijd voor kunst die zichzelf uitveegt in de realiteit, die zoekt naar vormen van collectiviteit. Naar een kunst die, zoals Willem Thies schrijft, zich niet zelfgenoegzaam nestelt in de postmoderne verbrokkeling. Ook Keizer maakt ons heel bewust van het goedkope netwerk waarin wij hangen als een hulpeloos strontvliegje. Een strontvliegje dat zich door een neoliberale spin traag laat wikkelen in afstompende arbeid, om vervolgens heel traag leeggezogen te worden. Op die manier worden we inderdaad beheerst door termen als verveling, lelijkheid, normativiteit, eenzaamheid en alledaagsheid.
Keizer zet mijn samenleving op de helling, zaait twijfel. Ik denk dat die twijfel datgene is wat wij bedoelen met het lelijke, saaie en herkauwde woord ‘engagement’. Engagement is niet het bieden van een oplossing, eerder het ondermijnen van een bepaalde werkelijkheid. Keizer maakt zijn lezers bewust van het feit dat een geglobaliseerde gemeenschap een contradictio in terminis is. Na deze bundel heb ik zin om een pint te gaan drinken in een kroeg, en heel lang te praten met iemand over poëzie. Al kan wat voor mij poëzie is, voor iemand anders voetbal zijn of, laat ons zeggen, kleiduifschieten. Dat is prima. Durf uit de massa stappen en binnen een samenleving op zoek te gaan naar lokale intimiteit, naar lokale verbondenheid. Misschien zijn we, zoals Stefan Hertmans eens zei in een interview preuts geworden voor liefde. Na het lezen van deze bundel word je bijna verplicht tot zelfreflectie over jouw ‘ik’ en hoe dat ‘ik’ vandaag staat in zijn omgeving.

Advertenties

Een nieuwe lente, een nieuw geluid? Maarten van der Graaff / Dood Werk

Dit najaar verscheen de nieuwe bundel ‘Dood Werk’ van Maarten van der Graaff (1987). Van der Graaff is niet meteen een conventioneel dichter, integendeel. Zijn poëzie wordt vaak omschreven als hermetisch en experimenteel. Die tweede eigenschap zou wel eens kunnen kloppen. Maar wat moeten we nu eigenlijk met een auteur die een bundel uitbrengt, getiteld ‘Dood Werk’?

dood-werk-maarten-van-der-graaff-boek-cover-9789025445782

Wat meteen opvalt is de soberheid van de bundel. Geen foto van de auteur te bespeuren, noch biografische gegevens. Ook geen arty flaptekst waarin een aantal woorden met elkaar in verband worden gebracht die helemaal niets met elkaar te maken hebben. Nochtans, deze bundel is daar perfect voor geschikt. Ik zeg maar: ‘Wat hebben Jezus, kapitalisme en David Foster Wallace gemeen met elkaar?’ Zoiets. Hier dus niet. De titel wordt meteen al zes keer vermeld op de voorpagina. In totaal telt de bundel twee delen: ‘Lijsten’ en ‘Geklokte gedichten’. De bundel opent met twee quotes. Die van Chris Kraus is hier het interessantst: ‘I want to make the world more interesting than my problems. Therefore I have to make my problems social.’ Deze quote geeft al een goed beeld van de intenties van van der Graaff. Of zoals hij het zelf schrijft in ‘Tiende Geklokt Gedicht, waarin David Foster Wallace voorkomt’: Toch is er een sociale ruimte die ik niet begrijp. / Ik wil schrijven voor wie zich / daarin begeven.

 

VERNIETIGING IS ONZE MONDIGHEID

Als ik zelf aan lijstjes denk, dan denk ik aan zaken die ik nog moet doen. En zo lees ik ook het eerste deel van ‘Dood Werk’. Het is een oproep. Van der Graaff is inderdaad een beetje een fascist. Hij is anti-persoonlijk, anti-modernistisch, antikapitalistisch en anti-poëticaal. Daartegenover plaats Van der Graaff zijn eigen zoektocht naar datgene wat ons bindt, de gemeenschap. Hij weet niet goed hoe dat moet doen, hij weet wel wat hij wil bereiken: de totale oplossing van het ik in de samenleving en de kunst. Of andersom. Voor die totale oplossing is er een nieuwe poëzie nodig en moeten er vooral heel wat aanslagen plaatsvinden op heilige huisjes. Hij wil ons bevrijden uit onze kankercel waarin hij, ik en wij geboren zijn.
‘Lijsten’ is een status quo van zijn eigen leven, de samenleving en de poëzie. En hoe die met elkaar kunnen verbonden worden tot een nieuw gezond lichaam. De bundel begint met het gedicht ‘Lijst met feiten’. De opening gaat als volgt:

Dit is de vroege eenentwintigste eeuw
en ik loop naar buiten.

Het lichaam van de heilige Drievuldigheid bevindt zich duidelijk buiten, in de samenleving. Deze opening is een statement. De dichter verlaat de huiskamer, gaat de wereld in. Letterlijk. In datzelfde gedicht schrijft hij iets later: Hoe kan een eeuw zo schel en kankerachtig/aan haar bloei beginnen? Feit is ook dat ik begonnen ben. / Dit is ook mijn eeuw. Het begin van een eeuw verbindt van der Graaff aan zijn eigen geboorte van zijn eigen lichaam. Het persoonlijke is exemplarisch voor het collectieve kankerlichaam. Van der Graaff wil ons (en dus ook zichzelf) genezen. Zoals ik al zei, hij is een kleine fascist in zijn zoektocht naar een nieuw gemeenschappelijk lichaam. Zijn anti’s staan altijd in verhouding tot zijn persoonlijke leefwereld, zijn poëzie is reactief. Zo schrijft hij: Niet mama die met papa aan komt lopen./ Niet mama die met papa dichterbij komt. Een duidelijke afstand tot de (literaire) ouders. En hij is ook nog eens anti-modernistisch:

Alles in mijn kamer is goed.
Ik hoef alleen maar
plaats te nemen.
Het is een geschikt moment
maar ik laat het voorbijgaan.
Alles is er klaar voor
maar ik kom niet opdagen.

Dit kan je perfect lezen als een afkeer van ‘the decisive moment’. Veel kunstenaars zochten in het modernisme naar een beslissend moment in tijd en ruimte. Het werk wilde op die manier zijn omgeving vatten. Van der Graaff laat die momenten liefst aan zich voorbijgaan. Waarom? Omdat hij zelf verward is, omdat zijn omgeving verward is, en daarom houdt van kunst die verward is, die niet goed weet wat ze wil. Het modernisme was elke voeling met de samenleving verloren. Ook een thema dat bij H.H. ter Balkt (een literaire voorvader van van der Graaff) aan bod komt.
Hij is ook antikapitalistisch. Hij schrijft: De vijand blijft voor onze ogen bedekt./Voor mijn ogen en die van mijn baas. Dit zorgt voor een voortdurende dreiging/die de grondtoon is van ons lied./Wij noemen het ‘Werk: een lied.’ De kapitalistische samenleving maakt ons blind, bedreigt ons en wij bezingen deze dreiging als makke meegaande lammetjes. Een werkromantisch kapitalisme. En ook het culturele milieu moet er aan geloven: Ik zou een illegale poëziebijeenkomst willen organiseren,/maar omdat het opstandige en geheime/gefetisjeerd worden door cultuurproducenten/heb ik er geen zin in. Van der Graaff eet alles op. Hij eet de samenleving op en wil in zijn lichaam tot een nieuwe samenleving komen. En geeft zijn lichaam ook aan de samenleving: Een heel mooi geluid komt dichterbij (/doorzeefd wil ik passanten trakteren op mijn ingewanden). En op zijn beurt eet hij dan weer de kunst op. Dit vind ik exemplarisch voor van der Graaffs poëzie (en wat een beeld!):

Nu de kunst mij opeet
zoek ik de achterdeur of de binnenzak
van dat lichaam.

Hij wil een nieuwe blik op de samenleving, de kunst en het individu: ’s Nachts ontneem ik mij het zicht. /Bij daglicht leg ik mijn ogen af. Dat is de zoektocht van Van der Graaff naar een nieuw, collectief lichaam. Een zoektocht waarvan hij trouwens heel onzeker is: Een natte schoen op iets glads. Natuurlijk ziet van der Graaff zich als een soort martelaar. Hij doet het dode werk van een dode plant. Over hem zal iets vruchtbaar groeien. En wat nu?

 

KLOKKEN VAN HET TIJDELIJKE

Dat weet van der Graaff niet. Het nieuwe lichaam is een lichaam waar er geen onderscheid meer is tussen, poëzie, samenleving en individu. Veel poëzie heeft de neiging om bepaalde gedachten te formuleren die zich verheffen boven de tijd, boven de ruimte. Kortom, veel poëzie is op zoek naar het tijdloze, naar de eeuwigheid. Van der Graaf is op zoek naar het lichamelijke, dat waar de tijd invloed op heeft en sporen in nalaat, naar de ruis, naar her oppervlak. Het is verbonden aan het sterfelijke. In het tweede deel, de geklokte gedichten, gaat hij dan naast zijn regels de specifieke tijdstippen vermelden waarin bepaalde regels zijn ontstaan. De regels geven soms inzicht, soms niet. Ze spreken elkaar tegen, zijn zoals elk individu en de samenleving: verwarrend. In het ‘Eerste Geklokte Gedicht, waarin gepraat wordt met Jack Spicer en de Noordzeegedichten verschijnen’, schrijft hij:

Ik klok het gedicht om vrij te zijn. Ik weet niet of de klok van Mars komt
Maar ik hou van jou.
Ik hou van jou en maak een bed voor ons,
dat in ieder geval zal bestaan
uit mooi, donker hout
en een kussen waaronder ik mijn zelfmoordbrief verstop.

Wat moet je hier nu mee? In de geklokte gedichten moet je in ieder geval niet overal op zoek gaan naar betekenis. Of zoals de andere quote – van Dorothea Lasky, die de bundel voorafgaat, zegt: Poets should get back to saying crazy shit/All the time. Soms komen zijn regels dus van Mars. Dat is een geruststelling. Iemand houdt van je, en maakt een bed voor ‘ons’ waarin een zelfmoordbrief ligt van de ‘ik’. Logisch. De ‘ik’ bestaat niet meer in het collectieve lichaam. Haast romantisch: de ik en de jij versmelten tot een ‘ons’ in een bed, een geslachtsdaad. En die geslachtsdaad wordt om 13u13 in hetzelfde gedicht dan weer gekoppeld aan mensen die rijexamen afleggen en mensen die taartrecepten uitproberen. Tijdelijke gedachten worden verbonden aan even tijdelijke lukrake handelingen. Zijn verbindingen zijn vrij gekozen, conform de eenheid tussen poëzie en samenleving is elke verbinding, hoe absurd ook, dan ook correct. Alles is poëzie, alles is realiteit. Soms zegt die verbindingen niets dan absurditeit:

Gin-tonic
Gin-tonic
Gin-gin-tonic.
Cat the Night Huntress en ik
houden van gin-tonic.

en soms is de absurditeit raak:

Op een heldere ochtend fiets ik een wak in,
op zoek naar solidariteit met de verijsde lichamen.

En soms is er helemaal niets absurd:

Oefening: zoek vandaag op het station,
In de bibliotheek of het gebouw waar je werkt,
naar een gezicht dat je zou willen vergeten
omdat het een koppige hoop uitstraalt
die ongegrond is.

Bij zulke zinnen denk ik: ja, dat is er knal op. In het nieuwe lichaam zijn er nog altijd mensen die een koppige hoop uitstralen, die in de kanker van hun tijd leven. Die geloven in individualiteit en kapitalisme. Zoek ze op, en probeer ze te vergeten. Als je in bed aan hen blijft denken, aldus van der Graaff, ben je nog niet volwassen. Twaalf op tien. In zijn geklokte gedichten heeft van der Graaff tenslotte ook de angst dat zijn gemeenschap belandt in een of andere doofpot van een kapitalistische kok.

Ik woon in Nederland.
Ik ben een geheim
dat wordt bewaard door bepaalde
gemeenschappen die niet willen delen.

 

EEN NIEUW GELUID

Omdat Van der Graaff zijn werk – arbeid en poëzie betekenen hier hetzelfde – verbonden is aan het tijdelijke, is het al dood wanneer het verschijnt, overwoekerd door nieuwe tijdelijk-heden. Van der Graaff geeft hier een totaal nieuwe visie op het dichterschap, wars van alle ijdelheid en streven naar eeuwigheid, roem en onsterfelijke verzen. Die hebben namelijk meer weg van gewapend beton of monumenten of beschermde burgerlijke woningen. Van der Graaff zijn gedichten zijn arbeiderswoningen, is Street Art. Het is een brievenbus waaronder om de zoveel tijd een nieuwe naam wordt geplaatst. Van der Graaff wil de martelaar zijn die door zijn broeders en zusters vergeten wordt. En hij weet die broeders en zuster goed te verzamelen. Zo publiceerde hij recent gedichten van Dominique De Groene op zijn literair platform ‘Samplekanon’. Een debuut. Zij schrijft bijvoorbeeld dit:

Ik slik.
De Europese richtlijnen voor laagcalorische zoetstoffen
zijn nu in mijn lichaam
en verbinden mijn lichaam
met andere lichamen
die hen ook bevatten.

Herkent u het? Jazeker. Dat is de bedoeling. Dichters die collectief hetzelfde doen en hem overwoekeren. Vernietiging is zijn mondigheid. De openingszin van deze bundel is voor mij nu al even iconisch, even historisch als de openingszin die Herman Gorter schreef in ‘Mei’. Een nieuwe lente en een nieuw geluid. Of zoals van der Graaff schrijft in ‘Dood Werk’:

Heel mooi geluid op
de bodem van het publieke,
waartoe ik gezonken ben
in mijn waanzinnige liefde.