Ovidius, Metamorphosen

Tekst uit: Ovidius, Metamorphosen, vert. door M. D’Hane – Scheltema, Atheneum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2006, p.354-359.

Dit is werkelijk een prachtig en dankbaar boek. Vooral deze passage sprak mij enorm aan, omdat ze zo toepasselijk is op veel hedendaagse poëzie, waarin het gedicht wordt opgevat als een vloeibare ruimte waarin de buitenwereld, in al haar ruis, binnen glijdt. Al zou je kunnen stellen dat een radicale openheid het schrijven schrapt. Het is ongelofelijk dat we vandaag nog altijd schatplichtig zijn aan deze verzen van Ovidius. Ik wil hier niet te diep op ingaan. Ik bekijk het eerder als een onderdeel van mijn persoonlijk archief. Wat mij trouwens ook enorm aansprak was het begin van het boek, met name de beschrijving van de ‘Gouden Eeuw’, waarin de openheid als absoluut uitgangspunt geldt, en waaruit schoonheid en geluk voortvloeit.  In de ‘Zilveren Eeuw’ worden huizen gebouwd, en dat wordt als een ‘stap terug’ omschreven door Ovidius, als iets negatief. Ik bewonder Ovidius verzen omwille van hun openheid, omwille van de interactie tussen zijn personages en de ruimte waarin die personages zich begeven. De stofwisseling die er plaatsvindt. Ik bedoel dus, een goed gedicht is in de eerste plaats niet mooi, een goed gedicht is open.

Advertenties
Dit bericht is geplaatst in Varia.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s