De wereld als markt en strijd. Hannah van Binsbergen /Kwaad Gesternte

Eindelijk de debuutbundel van Hannah Van Binsbergen gelezen. In ‘Kwaad Gesternte’ gaat deze jonge dichteres op zoek naar een manier van leven in een wereld van markt en strijd. Het ontbreekt haar aan een achtergrond maar ze heeft een groot verlangen naar samenhang, naar een houvast. In deze meerstemmige bundel wordt de zoektocht van van Binsbergen de zoektocht van de lezer, van een generatie.

kwaad-gesternte-hannah-van-binsbergen-boek-cover-9789025447816

DE STRIJD

Slagveld, vuistgevecht, rel, afrossen, harnas, raak slaan, wapen, moord, bunker, brandende kantoren…Dit is een snelle greep uit de grammatica van Hannah van Binsbergen. Er wordt serieus geknokt in de bundel. Maar tegen wie strijd deze dichteres zo fel? In het gedicht ‘Kwaad Gesternte’ schrijft zij:

een droom
die het dagelijkse leven stuk kan slaan, is dat
waarom we vooruitgaan?

Het is een gevecht tegen deze droom (als ik beter kon slapen, zou maar de helft van mijn leven een gevaarlijke droom zijn). Hier loert Kees Ouwens tussen de regels. In Kees Ouwens bundel ‘Droom’ krijgt de lezer een goed beeld van de impact van een nieuw economisch systeem op een individu. Een probeersel dat in de jaren tachtig vorm krijgt in Europa. Het neoliberalisme.De grote droom van de vooruitgang staat in schril contrast met het ontheemde individu dat een totaal gebrek aan intimiteit ervaart, vervreemd wordt van zichzelf, van zijn huis. Het individu wordt zo eenzaam, verliest houvast in een droom die niet de zijne is. Die neoliberalisering van de samenleving is ook een van dé hoofdthema’s in ‘Kwaad Gesternte’. Het is de basisgedachte van het neoliberalisme: winst puren binnen alle domeinen van de samenleving, het verstoren van vraag en aanbod. Van Binsbergen zingt dan bijvoorbeeld ook over ecologische uitputting en onbetaalbare medicijnen.

Van Binsbergen verwijst wel vaker naar Ouwens. Niet alleen in bijvoorbeeld de thematiek van masturbatie als ‘surrogaatintimiteit’, evenzeer naar bepaalde regels uit de gedichten van Ouwens. Schrijft van Binsbergen ‘er is niets voorbij de lijn van de drempel’ dan schreef Ouwens  ‘Ja zeker, ik stond op de drempel / van het leven./Voor mij lag niets. / Achter mij ook niet. ( uit de debuutbundel van Ouwens, ‘Arcadia’). Met die drempel verbindt van Binsbergen de keuzes die zij nu moet, maar niet kan/wil maken. En zo zijn er nog verwijzingen naar Ouwens, zoals bijvoorbeeld het gebruik van de vele negativa (‘niemand’ en ‘niets’ komen veelvuldig voor en verhogen de vervreemding van het ‘ik’ ten op zichten van de omgeving), en er zijn er nog maar ik kan ze hier niet allemaal vermelden.

De hele bundel staat trouwens bol van verwijzingen naar andere auteurs. Hierdoor ontstaat er een meerstemmig geheel, is het onduidelijk wie nu juist aan het woord is en wordt de lezer meegezogen in een geassembleerde, gemediatiseerde wereld. Radio, computer en omroepers worden geïntegreerd. Welkom in de 21ste eeuw. De communicatie loopt uit de hand. Het is onduidelijk of de zin ‘Het is onredelijk hoeveel tijd je doorbrengt in de valstrik van de simpelste beslissingen’ een zin uit een reclame is of een angstkreet van de dichteres. Diffuse grenzen. We zien namen als ‘Baudelaire, Guy Debord en Sint Fransiscus passeren. Daarnaast betrekt zij dichters als Ouwens, Gorter, Mettes en van der Graaff direct of indirect in haar bundel, stuk voor stuk ‘Politieke dichters’.

De dichteres weigert haar ogen te sluiten voor deze wereld van markt en strijd (Zolang ik niet mijn ogen open, lig ik in zijn armen), weigert te kiezen voor knusse blindheid. Zij wil het heden zien zoals het is. De roze bril heeft donkere glazen.

HOUVAST

We leven in een paranoïde wereld waarin elke handeling geregistreerd wordt. In haar openingsgedicht schrijft van Binsbergen dan ook: Ik hoef mijzelf niet meer te dwingen een gezicht op te / zetten om naar buiten te gaan. Al mijn gezichten zijn bekend en in het gedicht ‘Voorspellingen aan Julia en Sylvia’ schrijft zij dan weer:

Ik heb de auto van de buren gestolen. Het is vrijdagavond en dit is het
moment.
Hoe heb ik kunnen denken dat het niet gemerkt zou worden.
Was ik maar hier om me bij te staan.
Ik hoor voetstappen achter de linkermuur en ik heb de auto van de
buurman gestolen.
Hij staat in mijn slaapkamer. Iedereen weet het.

Toch wel een knap staaltje zelfvervreemding in een absurde wereld waarin iedereen alles over je te weten komt. Vanuit de voetstappen gaat een enorme dreiging uit. Van Binsbergen schrijft lyrisch: Dit is verlies: het beeld behouden dat een ander bij je achterliet.

Het resultaat is een individu dat dus vervreemd is van zichzelf, dus ook van zijn handelingen, van zijn werk. Arbeid is logischerwijs een terugkomend thema in deze bundel. Er is angst voor arbeid, voor steeds binnengaan in hetzelfde gebouw, voor twee kippen en een Opel. Zij wil niet in een supermarkt gaan werken en jong haar graf in rollen. In deze neoliberale droom verliest het individu houvast. Dat gebrek aan houvast wordt bloedmooi weergegeven in het gedicht ‘Vroeger had ik iets’. De elliptische titel, het gebruik van parallellisme, de afwezigheid van interpunctie en het ambigue taalgebruik doen al vermoeden dat dit gedicht, dat de taal geen houvast biedt. In elke strofe wordt er wel verwezen naar een hand (letterlijk of spreekwoordelijk of naar een handeling), alsof de dichteres zo in elke strofe de hand haar houvast laat verliezen. En daar gaat dit gedicht over: het verlies van controle over de handelingen door een toenemende controle van iets groters.Een voorbeeld: ik kies ervoor om op te staan om 9uur hoewel ik weet dat dat niet enkel in mijn handen ligt.

En verderop in de bundel schrijft zij dan ook:

Het lied van de omroeper laat ons herhalen
waarvan we hopen dat het in ons nog herkend kan worden.
Er is geen centrum, alleen omgeving;
al het andere moet een gift zijn.

De mens wordt hier als een passief wezen voorgesteld. Van Binsbergen schrijft niet ‘waarvan we hopen dat we het nog herkennen’, nee, zij onderwerpt de ‘ons’ in de taal door het gebruik van de lijdende vorm. Weinig hoopvol dus, en toch wordt er behoorlijk gefeest in de bundel. Het woord ‘feest’ valt meermaals te lezen. Dat woord wringt een beetje binnen de thematiek van deze bundel. Maar dat is precies de bedoeling. Dat is het heden van onze generatie: een gruwelijke droom, zonder houvast, zonder context maar waarin gruwelijk veel wordt gefeest. Yeah, life is a ticket to the best show on earth.

DE KROON VAN EEN GENERATIE

Deze bundel is echter geen postmoderne brokkenmachine. Doorheen de aanklacht, steekt ook een uitgestoken hand. Het verbaast je natuurlijk niets als je weet dat van Binsbergen op het online tijdschrift ‘Samplekanon’ debuteerde. Magazines are societies. Zij behoort ook tot de gemeenschap ‘van der Graaff, Keizer, Alkema, De Groen, Van Vlierberghe, Tratsaert’. Een ‘alternatief netwerk van dichters’ die schrijven in het heden, die zich verbinden met elkaar op basis van hun poëtisch project. Die hun ‘ik’, hun lichaam opeisen en openbaar maken. Hoewel er duidelijk verschillen zijn tussen hen, valt toch op dat zij in de samenleving staan. In hun poëzie, in hun lichaam kraakt ons tijdsgewricht. In die gemeenschapsvorming ligt een daad van verzet, tegen de individualisering. Hier begint de zoektocht naar een alternatief. Voor mij is deze bundel een uitgestoken hand om deel te nemen aan dit tastbare netwerk. Om niet langer passief toe te kijken langs de zijkant.  Net zoals bijvoorbeeld van der Graaff gaat van Binsbergen uitdrukkelijk op zoek naar broeders. Van mij mag van Binsbergen nog heel veel heel luid zingen.

 

 

 

 

Advertenties
Dit bericht is geplaatst in Varia.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s